Citizen Science. De betrokkenheid van burgers in het wetenschappelijk proces

Citizen science. De betrokkenheid van burgers in het wetenschappelijke proces

KNAW-symposium

Lees verder

Uitgelicht

Wetenschappers doen steeds vaker een beroep op burgers bij hun onderzoeksprojecten – denk aan digitalisering van archieven, het in kaart brengen van dialecten, bodemdiertjes tellen of gegevens over fijnstof verzamelen. 

Het symposium Citizen Science op 16 juni 2016 ging over kwesties waar de wetenschapper gedurende zo’n project mee te maken krijgt:

  • Wat kost het?
  • Hoe zit het met de kwaliteit van de gegevens?
  • Kan een leek meer dan data intypen en vogels tellen?
  • Hoe bouw je een echte community? 

Lees het journalistieke verslag van dit symposium hieronder of download het verslag als pdf.

De aftrap van de middag wordt gegeven door Tine de Moor, hoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Zij trekt direct de conclusie dat citizen science een ‘hot item’ is, zowel bij wetenschappers als bij het publiek. Niet voor niets is er inmiddels een Europese organisatie (European Citizen Science Association, ECSA) en een open-access journal (Citizen Science: theory and practice) volledig gericht op ‘burgerwetenschap’.

Definitie van citizen science

Een duidelijke definitie van citizen science is er volgens De Moor niet. ‘Dat is ook lastig, want waar leg je de grens? Deelname aan medicijnonderzoek, is dat citizen science? Of een project waarbij burgers alleen hun pc beschikbaar stellen om gegevens te verzamelen?’ In veel burgerprojecten gaat het inderdaad om dataverzameling. Soms mogen burgers actief meedenken en er zijn zelfs projecten waarbij het onderzoek ‘in opdracht van’ de burger wordt gedaan, bijvoorbeeld om iets te veranderen aan de eigen situatie. 

Ja, ik wil!

Tussen februari 2014 en maart 2016 leidde De Moor het onderzoeksproject ‘Ja, ik wil!’ (http://www.collective-action.info/ja-ik-wil). ‘De gemeente Amsterdam heeft een rijk archief van ondertrouwaktes. Dat wilden we digitaliseren. Gedurende het project deden ongeveer vijfhonderd vrijwilligers mee. Maar er was een harde kern van ongeveer dertig mensen die er een dagtaak van maakten om de historische gegevens in te voeren. Die kleine groep heeft bijna 80 procent van het werk gedaan.’

Hoe krijg je zo’n groep aan de gang? Volgens De Moor moet de nadruk liggen op dialoog. ‘Zo’n citizen-scienceproject is tweerichtingsverkeer. Je zult van tevoren duidelijk uitleg moeten geven over de doelen, de beoogde resultaten en de tijdsplanning. Daarnaast is persoonlijke aandacht belangrijk. En daar hoort bij: ingaan op vragen of verzoeken, maar bijvoorbeeld ook het organiseren van rondleidingen, lezingen en cursussen. Daag vrijwilligers uit. Repetitief werk is vaak het meest haalbaar, maar zorg dan wel dat het interessant is. Bij ons project gold: hoe verder terug in de tijd, hoe lastiger zo’n akte te lezen is. Dus vrijwilligers met meer ervaring daagden we uit om verder terug in de tijd te gaan.’ 

Wetenschappers zijn soms wat huiverig over de kwaliteit van data die uit een citizen-scienceproject komen. Nergens voor nodig, meent De Moor. ‘Wij hebben iedere akte twee keer laten invoeren, door twee verschillende vrijwilligers. Een derde persoon (de controleur) kreeg een vergelijking van de twee ingevoerde teksten en bracht highlights aan bij verschillen. Wij konden dan op zoek naar de juiste tekst. Citizen science is dus geen spielerei, maar echte wetenschap! Het kan de traditionele wetenschap niet vervangen, maar wel verrijken.’

Profiel van de vrijwilliger

Na een breed scala van praktische voorbeelden (zie kaders), is het de beurt aan Nicoline van der Sijs (taalkundige aan het Meertens Instituut) om iets te vertellen over de KNAW en citizen science. ‘Al sinds de oprichting in 1930 werkt het Meertens Instituut samen met het publiek. In het begin was het publiek vooral “gever”. Informanten gingen op huisbezoek om bijvoorbeeld volksverhalen en liederen op te tekenen. Tegenwoordig gaat de dataverzameling veelal digitaal. Via het Meertens-panel kunnen we mensen online allerlei vragenlijsten laten invullen.’ 

Het publiek heeft in de afgelopen jaren een steeds actievere rol gekregen. In 2007 werkten vrijwilligers bijvoorbeeld mee aan de vertaling van oude Bijbelverhalen, in 2012 hielpen familieleden van vroegere informanten met het digitaliseren van het archief en nu is er de app Sprekend Nederlands. Daarin kunnen mensen hun eigen taalgebruik opnemen en elkaars taalgebruik beoordelen. Onderzoekers hopen via deze weg antwoord te krijgen op de vraag: hoe klinkt de taal in Nederland?

Van der Sijs schetst een duidelijk profiel van de vrijwilligers. ’51 procent is vrouw, 48 procent is man. Dat is dus mooi in evenwicht. 80 procent van de vrijwilligers is hoogopgeleid. Mensen doen mee omdat zij het onderwerp interessant vinden of omdat ze de wetenschap willen helpen. Wij hebben daarnaast aan mensen gevraagd waarom zij met een bepaald project gestopt zijn. Veel gehoorde redenen waren: het was niet interessant genoeg, er was te weinig persoonlijk contact en de techniek was te moeilijk. Dit is belangrijk om te weten, omdat we daar iets aan kunnen doen.’

Volgens Van der Sijs zijn het verzamelen van meer, kwalitatief goede, data en het motiveren en vasthouden van vrijwilligers de uitdagingen waar citizen science nu mee te maken heeft. Via een online platform zoals ‘iedereen wetenschapper’ of ‘vele handen’ wordt het volgens haar mogelijk om een match te maken tussen werkzaamheden en geschikte vrijwilligers.

Vondst van de eeuw

Na de pauze vertelt Wiljan van den Akker, vicerector voor onderzoek aan de Universiteit Utrecht, over citizen science en het wetenschapsbeleid. ‘We hebben in toenemende mate te maken met maatschappelijke impact’, zegt hij. ‘In de jaren zeventig en tachtig kon je onderzoeken wat je wilde. Je hoefde niet veel verantwoording af te leggen. Nu draait alles om valorisatie. Dat zouden we moeten bannen. Het is namelijk een lineaire manier van denken. Het impliceert dat kennis direct van de onderzoeker naar de markt gaat en een product oplevert, maar zelden werkt het zo.’

Van den Akker pleit voor een productieve interactie tussen onderzoekers en het publiek met als doel om maatschappelijke problemen aan te pakken. Waarmee hij overigens niet wil zeggen dat de tijd van fundamenteel onderzoek voorbij is. Om citizen science te erkennen als ‘tak van wetenschap’ is nog een aantal dingen nodig. Er moet duidelijkheid komen voor zowel wetenschappers als burgers en daarbij zou één herkenbaar contactpunt behulpzaam kunnen zijn. Daarnaast moeten er ethische, wettelijke en privacyregels komen. Want stel: een deelnemer doet de vondst van de eeuw. Van wie is die ontdekking dan eigenlijk?

Dit duidelijke statement over het beleid wordt gevolgd door een kort debat tussen de sprekers. De belangrijkste vraag blijkt of er naast een platform voor het publiek ook behoefte is aan een platform voor wetenschappers. Bijvoorbeeld om ervaringen uit te wisselen en data te delen. Van der Sijs ziet niet veel in zo’n platform. ‘Maar als het er komt wel graag open source, zodat iedereen erbij kan.’ Volgens De Moor kan het maken van een citizen-scienceplatform ook een risico zijn. ‘Bij zo’n apart platform kunnen wetenschappers denken “pas maar op met die data, want die zijn afkomstig van citizen science”.’

Een ander belangrijk punt is financiering. Het vinden van financiers voor citizen-scienceprojecten is lastig. Dat komt omdat financiers bij wetenschappelijk onderzoek sturen op voorspelbaarheid en dat heb je bij burgerprojecten nou juist niet. Van den Akker: ‘In verschillende disciplines hebben we al mooie resultaten gezien, maar instanties zijn hier niet op gebouwd en dat moet veranderen.’ De Moor vult aan: ‘Op Europees niveau moet er meer ruimte komen voor risico. Citizen science is misschien high risk, maar vaak is het ook high gain.’

Impuls

De dag wordt afgesloten met de presentatie van de website www.iedereenwetenschapper.nl. Deze website werd ontwikkeld door de Vlaamse Jonge Academie en EOSen krijgt nu dus ook een Nederlandse poot. Op de website kunnen onderzoekers hun citizen-scienceproject aan het publiek presenteren. Er staan inmiddels zeventig projecten online, zowel Nederlandstalig als internationaal.

José van Dijck, president van de KNAW, is enthousiast over het nieuwe platform. ‘Het is een fantastische manier om burgers te betrekken en ze meer impact te geven. Tegelijkertijd moeten we ons ook afvragen wat het kan doen voor de wetenschap en wie er verantwoordelijk is voor de kwaliteitscontrole van zulke projecten.’

Van Dijck ziet citizen science graag uitgroeien tot een volwaardige vorm van participerend onderzoek. ‘De KNAW kan hierin een adviesfunctie vervullen, bijvoorbeeld door het samenwerken tussen onderzoekers en de uitwisseling van expertise te stimuleren. Dan krijgt citizen science de impuls die het nodig heeft.’