Samenvattingen

KNAW-symposium Dienstbare markten

Door de mondiale economische crisis zijn fundamentele vragen gerezen over de rol van markten en die van de economische wetenschap in de samenleving. Hoe beïnvloeden markten (en concurrentie) het individuele en maatschappelijke welzijn? Wat is individueel welzijn en wat is maatschappelijk welzijn? Hoe kun je dat meten en onderzoeken en wat zijn de grenzen van de huidige economische methoden?

Markets for a Good Society

Eric van Damme

Tilburg University

Damme-van-Eric-4010

Markten vormen een onlosmakelijk onderdeel van onze moderne kapitalistische samenleving. De Europese Unie is gebaseerd op het idee dat een goed functionerende interne markt bijdraagt aan het creëren en in stand houden van een welvarende samenleving waarin mensen in vrede samenleven. Een mantra van de Europese Commissie stelt dat markten de interne efficiëntie, de allocatieve efficiëntie en de dynamische efficiëntie verhogen; ze leiden tot kostenverlaging, prijsverlaging, kwaliteitsverhoging en meer innovatie. Maar is dat ook zo? Is efficiëntie het enige wat telt, of zijn er ook andere waarden in het geding, en worden die misschien geschaad als we de markt meer ruimte geven of de concurrentie intensiveren?

Het door de KNAW gefinancierde project ‘Dienstbare Markten’ probeert bovenstaande vragen te beantwoorden en aan de hand van objectieve feiten de maatschappelijke discussie over de rol van markten in de samenleving te verdiepen. In deze voordracht wordt een eerste overzicht van de resultaten gegeven. We bespreken daarbij inzichten vanuit de economie, de andere sociale wetenschappen en de filosofie. De economische wetenschap nuanceert de mantra en laat zien dat adequate marktordening en regulering van het grootste belang zijn; zij biedt weinig rechtvaardiging voor een neo-liberalistisch laissez-faire. De psychologie wijst op de beperktheid van de menselijke rationaliteit en het feit dat een complexe markt onze vermogens om deze te disciplineren te boven kan gaan. De sociologie laat zien dat markten sociale verbanden kunnen verbreken en aldus ons welzijn kunnen verlagen. Psychologie en filosofie benadrukken dat ‘preferenties’ niet exogeen gegeven zijn en dat markten, net als andere instituties, mede ons karakter vormen, for better or for worse.

Het totaalbeeld is multidimensionaal. In zijn What Money Can’t Buy roept Michael Sandel ons terecht op na te denken over de vraag waar we markten willen toestaan en waar niet. Hij geeft echter geen alternatieve ordeningsmechanismen die met ‘de markt’ de concurrentie aan kunnen gaan. Het idee achter ‘Dienstbare Markten’ is dat we door een zuivere balans van de markt op te maken wellicht dergelijke alternatieven kunnen identificeren.

Van nut naar deugd

Bart Nooteboom

Emeritus Tilburg University

Nooteboom-Bart-4603

In mijn bijdrage benoem ik enkele fundamentele problemen van economische wetenschap en bezie ik in hoeverre een ommezwaai van de gangbare nutsethiek van de economie naar een deugdenethiek daaraan tegemoet kan komen.

Fundamentele problemen voor de economie

Het ging bij aanvang van de nutsethiek om het hoogste welzijn van het grootste aantal mensen. Volgens Adam Smith dient individueel eigenbelang daaraan ondergeschikt te zijn. In de ‘microfoundations’ ging het uiteindelijk om individueel eigenbelang, en dat is nu ontaard in ‘greed is good’. Dat is het eerste probleem.

De ethiek louter in termen van uitkomsten doet geen recht aan gevoelens van rechtvaardigheid en moraliteit. Is elke handeling gerechtvaardigd als het maar bijdraagt aan verhoging van nut?

Een derde probleem ligt in de veronderstelling van rationaliteit in de economie, geïnterpreteerd als maximalisatie van nut, meestal in de vorm van materiële behoeftebevrediging. Economen claimen dat de nutsfunctie naast materiële ook morele waarden kan omvatten, zodat de economie niet haaks hoeft te staan op moraliteit.

Echter, de achterliggende voorwaarde, die zelden expliciet wordt gemaakt, is dat verschillende dimensies van waarde ‘commensurabel’ zijn, op één noemer gebracht kunnen worden, onder een enkele nutsfunctie (of preferenties die voldoen aan de voorwaarden van volledigheid en axioma’s zoals die van transitiviteit). Maar dat lukt vaak niet. Het komt er in de praktijk op neer dat moeilijk grijpbare en moeilijk meetbare dimensies niet in de berekening betrokken worden.

Een vierde probleem, hieraan gerelateerd, is dat activiteiten en relaties vaak naast extrinsieke, instrumentele waarde ook intrinsieke waarde hebben.

Een vijfde punt is dat intrinsieke waarde vaak niet afneemt maar toeneemt in gebruik. Er is in de literatuur wel gezegd (o.a. door Williamson) dat bijvoorbeeld vertrouwen schaars is en moet worden gereserveerd voor vrienden en familie. Maar vertrouwen neemt toe bij goed gebruik ervan.

Een zesde probleem ligt in fundamentele onzekerheid. De economie veronderstelt naast doelgerichtheid ook vooruitziendheid. We leven echter in complexe maatschappelijke systemen waarin de effecten van keuzen en handelingen vaak slecht te voorzien zijn, en de uitkomsten vaak onvoorzien en ongewild zijn. Formeel: de verzameling van opties waaruit men wil kiezen is open en onbekend, waardoor het toekennen van waarschijnlijkheden, en daarmee calculatie van verwacht nut, niet mogelijk is.

Een zevende probleem ligt in de socialiteit van de mens. Ideeën en voorkeuren ontstaan in interactie met anderen. Dat houdt in dat het fundamentele uitgangspunt in de economie van ‘methodologisch individualisme’ niet houdbaar is. Het individu is cognitief en moreel sociaal geconstitueerd. Dat houdt onder andere in dat men de ander nodig heeft voor toetsing en ontwikkeling van eigen ideeën. Het leidt ook tot effecten van imitatie en kuddegedrag.

Een achtste probleem is dat van de veronderstelling van eigenbelang, in de economie. Economen zeggen dat eigenbelang niet hetzelfde is als egoïsme, en dat klopt. Het omvat ook verlicht eigenbelang, waarin men toegeeft aan de belangen van anderen, zolang dat per saldo, nu of later, in het eigen belang is. De sociale constitutie van de mens, radicale onzekerheid in systemen en relaties, en moraliteit vergen echter dat men ruimte laat voor altruïsme, het inleveren ten behoeve van een ander zonder dat daar ‘iets tegenover staat’.

Het negende probleem ligt in de rol van emoties. Die doen afbreuk aan wat de econoom verstaat onder rationaliteit, maar zijn in de cognitie van de mens niet alleen onvermijdelijk maar ook nuttig en nodig.

Genoemde problemen van de economie hangen samen. Beperkte rationaliteit en de beperking van nutsmaximalisatie hangen samen met elkaar en met de rol van emotie, radicale onzekerheid, de noodzaak van andere ethische waarden dan alleen de uitkomst van handelen, de meervoudigheid en incommensurabiliteit van waarden, intrinsieke naast extrinsieke waarde, de socialiteit van de mens, de noodzaak van empathie en enige mate van altruïsme naast eigenbelang. Je kunt niet op een punt sleutelen en de rest laten voor wat het is. Daar ligt de tekortkoming van ‘behavioural economics’.

Deugdenethiek

De deugdenethiek is gericht op ‘het goede leven’, de bloei van het leven (‘flourishing’), geluk in de zin van ‘eudaimonia’. Dat is niet (alleen) genot, afwezigheid van pijn, rijkdom of eer. Er zijn meerdere en vaak incommensurabele ‘goede dingen’ in het goede leven, intrinsieke naast instrumentele waarde, de rol van emoties in keuzen, en de noodzaak van gedachtewisseling en debat voor het vormen van oordelen en voorkeuren. Goed handelen berust op een veelvoud van deugden, waarvan het belang en de mate van uitoefening afhangen van de concrete context van handelen. Deugden zoals moed, redelijkheid, openheid, oprechtheid, empathie, flexibiliteit, creativiteit, consistentie, toewijding... De deugden vormen onderdeel van karakter. Deugdelijk handelen berust niet op calculatieve rationaliteit maar op praktische wijsheid.

Dit komt tegemoet aan het hierboven geschetste complex van problemen voor de economie. Bijvoorbeeld aan de incommensurabiliteit van waarden, en daarmee aan bezwaren tegen de veronderstelling van nutsmaximalisatie, aan radicale onzekerheid van omstandigheden, en aan de rol van emoties. In plaats van maximalisatie komt debat over wat goed is, in welke combinatie van deugden, in elk specifiek geval. De specifieke omstandigheden zijn veelal radicaal onzeker, niet te voorzien. Dat vergt praktische wijsheid: het vermogen om waar te nemen wat praktische en morele dimensies van handelen zijn in een specifieke context.

Ik maak wel enkele belangrijke aanpassingen ten opzichte van de Aristotelische deugden ethiek. Een daarvan betreft zijn stelling dat de rede de hoogste deugd is. Ik ben meer sceptisch over de kracht der rede.

Een tweede aanpassing betreft de rol van anderen. Voor Aristoteles is het wel een van de deugden om rekening te houden met anderen, maar moet men vooral niet van anderen afhankelijk worden. Naar mijn mening is echter de ander van belang voor het zelf als bron van verschil van inzicht waarvan men leert en waarmee men een kans krijgt om te ontsnappen aan het eigen vooroordeel. Ik ga nog een stap verder: de andere mens is nodig om de hoogste vorm van vrijheid te bereiken, inclusief vrijheid van eigen bijziendheid en vooroordeel.

Ik voeg hier nog aan toe de noodzaak om naast de negatieve vrijheid van het liberalisme (vrijheid van inmenging door anderen) ook positieve vrijheid te onderkennen, in de toegang tot middelen en posities nodig om zich te ontplooien. Dit is de visie van ‘capabilities’ van de filosofe Martha Nussbaum en de econoom Amartya Sen.

Implicaties

Incommensurabiliteit maakt calculatie van een eenduidig optimum onmogelijk en vergt debat, in een afweging van waarden vanuit verschillende perspectieven en prioriteiten. Dat geeft hoge transactiekosten. Men zal hier het midden moeten vinden tussen enerzijds hoge kosten van debat en anderzijds calculatie die schadelijk is voor het incommensurabele.

Economen moeten het optellen van appels en peren overlaten aan de politiek. De perceptie van verschillende, incommensurabele waarden, de prioritering daarvan en de argumenten voor afweging ertussen verschillen al naar gelang de politieke visie en overtuiging. Dat geeft weer inhoud aan de politiek en profilering van politieke partijen die nu verzwolgen zijn in de eenheidsworst van marktwerking.

Een belangrijke deugd is empathie, het vermogen zich in te denken in de positie van de ander, als onderdeel van praktische wijsheid, en een zekere mate van altruïsme en vertrouwen. De meervoudigheid van deugden en waarden impliceert dat altruïsme en vertrouwen niet onbegrensd zijn. Men houdt rekening met belangen van anderen, geeft toe, afhankelijk van omstandigheden, maar men offert zichzelf niet op. De mate van altruïsme en vertrouwen hangen af van de druk van overleving.

De marktmetafoor. Het effect van retoriek en taal op beleid en gedrag

Arjen van Witteloostuijn

Tilburg University

Arjen van Witteloostuijn

In de loop van de jaren tachtig van de vorige eeuw is de markt als instrument en metafoor tot diep in de poriën van de samenleving doorgedrongen. Ongeacht de kleur van het kabinet lijkt het erop alsof marktoplossingen de natuurlijke terugvaloptie zijn geworden. Binnen vrijwel alle organisaties worden gelijkaardige instrumenten ingezet, geënt op marktdenken, ongeacht het domein waarin deze organisaties opereren. In weinig organisaties wordt bijvoorbeeld nog gesproken over personeelsbeleid; liever wordt gewerkt met de aanduiding human resource management – of beter nog: HRM of, korter, HR.

Hoewel de huidige financieel-economische crisis tot debat heeft geleid, is de marktlogica nog altijd dominant. In deze lezing worden twee bijdragen aan dat voortdurende debat geleverd. Allereerst wordt geïllustreerd wat taal doet met gedrag. Bij wijze van voorbeeld wordt hierbij vooral aandacht besteed aan de mogelijke gedragseffecten van de hantering van het Angelsaksisch jargon dat sinds jaar en dag usance is in het organisatieleven binnen en buiten de private sector. Bijna geen enkele manager spreekt nog over doelen, maar hamert vooral op het belang van targets. Daarnaast worden additionele kanttekeningen geplaatst bij het gebruik van markttaal en –instrumenten binnen de publieke sector. In de context van het zogenaamde ‘New Public Management’ is het gebruikelijk geworden retoriek en praktijken uit de private sector op grote schaal in te zetten binnen het publieke domein. Het karakter van het publieke domein is echter wezenlijk anders dan dat van de private sector. Welke effecten heeft de invoering van ‘private’ instrumenten op gedrag van en binnen publieke organisaties?