'Cultureel nationalisme' in de negentiende eeuw

Instituties als manifestatie, producent en vehikel van ideeën van nationale identiteit

Dat ideeën over natie, nationaliteit en nationale identiteit gevormd en verspreid worden door instellingen zoals scholen, universiteiten, genootschappen, bibliotheken en musea, en dat anderzijds deze instituties zelf hun vorm en inhoud mede te danken hebben aan dergelijke ideeën, blijkt de afgelopen paar jaar overduidelijk uit bijvoorbeeld de opeenvolgende plannen voor een nationaal historisch museum in Nederland. Tegelijkertijd wordt ook onze nationale Koninklijke bibliotheek op allerlei manieren ingeschakeld bij het omvattende project om de inwoners van Nederland een bewustzijn van hun veronderstelde gemeenschappelijke wortels bij te brengen.

Aan de hand van deze twee instellingen, de bibliotheek en het museum, is tijdens de themavoordrachten aandacht besteed aan de negentiende-eeuwse geschiedenis van deze problematiek. De sprekers, prof. dr. Joep Leerssen en dr. Debora Meijers, gingen ieder op een van deze instituties in tegen de achtergrond van hun respectievelijke bredere onderzoeksprojecten. Deze twee projecten richten zich op de periode ca.1770-1914 en werken vanuit een internationaal vergelijkend perspectief, maar met twee verschillende invalshoeken: 

  • Study Platform on Interlocking Nationalisms (SPIN) onderzoekt de intellectuele netwerken die de idealen van cultureel nationalisme droegen en verspreidden, waarbij een veelheid aan soorten instituties de knooppunten in een net van betrekkingen vormen. 
  • National Museums and National Identity beperkt zich tot één type institutie, het museum, en benadert dit vanuit de tastbare, visueel waarneembare vormen en kaders waarin het zich heeft gemanifesteerd (o.a. architectuur en decoratie, stadplanning, samenstelling collectie, inrichtings- en presentatievormen).

Wat de projecten gemeen hebben, is dat zij deze culturele netwerken en instituties niet als afspiegeling of bijeffect van een vooronderstelde nationaliteit of etniciteit beschouwen, maar hen in hun eigen recht bestuderen als historische verschijnselen die zelf in staat zijn vorm te geven aan standpunten en gebeurtenissen.

Debora MeijersJoep Leerssen, hoogleraar Moderne Europese Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, sprak over de rol van bibliotheken als vindplaatsen van middeleeuwse teksten. De secularisering van kloosterbibliotheken (van de opheffing van de Jezuïetenorde in 1774 tot de nationaliseringen in het kielzog van de Franse Revolutie) bracht een ware vloedgolf van voorheen goeddeels vergeten tekstmateriaal in de vernaculaire talen van Europa opnieuw aan het daglicht. Deze ontwikkeling was van belang bij het ontkiemende historisme in de letterkunde (met als neveneffect de historische roman), en was medeveroorzaker van de opkomst van de filologieën en van de romantische geschiedschrijving. Op hun beurt droegen deze nieuwe wetenschappelijke benaderingen ertoe bij, dat het verleden steeds meer in nationale zin werd bestudeerd en geïnstrumentaliseerd.

Powerpointpresentatie van Joep Leerssen

Geluidsbestand van de lezing

Debora Meijers

Debora Meijers, universitair hoofddocent Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, ging in op het zogenoemde Museumsinsel in Berlijn, en daarbinnen speciaal op het Neue Museum, tussen 1841 en1859 gebouwd als tweede openbare instituut voor de Koninklijke collecties die voorheen in onder andere het naburige Stadtschloss waren opgesteld. Met zijn afdelingen voor etnografie, Egyptische oudheden, Duitse prehistorie, kunstnijverheid, een overzicht van de westerse beeldhouwkunst in gipsafgietsels, en een prenten- en tekeningenkabinet vormde het Neue Museum bewust een uitbreiding van het Alte Museum (voltooid in1830), dat plaats bood aan alleen de ‘hoge’ kunsten: vooral Italiaanse en Nederlandse schilderkunst van de renaissance, en Griekse en Romeinse beeldhouwkunst. Hoe verschillend de twee musea ook waren: het Alte gericht op esthetisch genieten, het Neue vooral historisch en didactisch opgezet, het kan niet anders dan dat beide voor de burgerij bedoelde instituten zich op enigerlei wijze verhielden tot de ideeën over de wortels en de toekomst van de Duitse Nation die zich gelijktijdig aan het ontwikkelen waren. Het is daarom verbazend hoe weinig de Berlijnse musea door onderzoekers onder deze gezichtshoek bekeken zijn, althans waar het de periode vóór 1870/71, dus vóór de staatkundige eenwording en de stichting van het keizerrijk betreft. Dat het Altes Museum - als Pruisisch ’monument voor de vrede’ gerealiseerd na de overwinning op Napoleon van 1815 - de terugkeer van de geroofde kunstwerken uit Parijs vierde, daar zijn de onderzoekers het over eens. Lastiger ligt het bij het Neues Museum, ook al doet de ontstaansperiode 1841-1856 op zijn minst enige verwevenheid met het politieke tijdsgewricht vermoeden, dat gekenmerkt werd door het streven van liberale en democratische oppositiegroepen naar de vereniging van Duitsland tot een nationale staat (Revolutie van 1848, Parlement van Frankfurt). In de geschiedschrijving van dit museum heerst echter opvallend stilzwijgen over mogelijke relaties, met uitzondering van enkele auteurs in de jaren 1985-95 die het politieke aspect niet schuwden.

De laatste dertig jaar, sinds het besluit tot wederopbouw van het in 1943 en '45 zwaar door bommen getroffen gebouw, heeft het Neue Museum überhaupt veel onderzoek gegenereerd. Nu het eind vorig jaar uit zijn as is verrezen in een nieuwe, door architect David Chipperfield ontworpen gedaante, lijkt het moment aangebroken stil te staan bij de contrasten in benadering die de publicaties van ca. 1985/95 en van ca. 2009 laten zien, in het bijzonder met betrekking tot het nationale gehalte van dit museum rond 1848. Twee niveaus van inzicht kunnen zo verworven worden: in de Pruisische museumpolitiek van het midden van de negentiende eeuw, en in de wending die de Berlijnse museum- en kunstgeschiedschrijving na de nieuwe Duitse eenwording van 1989 genomen lijkt te hebben.

Powerpointpresentatie van Debora Meijers

Geluidsbestand van de lezing

Datum themavoordrachten: 14 juni 2010