De ontwikkeling van antikankergeneesmiddelen in Amsterdam-West: van laboratorium naar kliniek

Lezing door prof. dr. Jos H. Beijnen, hoogleraar farmacie Universiteit Utrecht; ziekenhuisapotheker Slotervaartziekenhuis en Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, Amsterdam

Jos Beijnen

Kanker is een volksziekte. Per jaar wordt bij ongeveer 70.000 mensen de diagnose kanker gesteld. Met de vergrijzende bevolking zal dit getal de komende jaren sterk toenemen. Wanneer het kankergezwel in een vroeg stadium wordt opgespoord en er nog geen uitzaaiingen hebben plaatsgevonden, geneest de patiënt als de chirurg de tumor volledig kan verwijderen. Helaas blijkt bij de diagnosestelling vaak dat er sprake is van een uitgezaaide of gemetastaseerde ziekte. De tumorcellen hebben zich dan verspreid in het lichaam. Het mes van de chirurg biedt dan weinig soelaas meer. In deze situaties wordt een systemische behandeling met geneesmiddelen (chemotherapie, hormoontherapie, immunotherapie) ingezet.

Stikstofmosterd is het oudste middel tegen kanker en werd kort na de Tweede Wereldoorlog voor het eerst toegepast bij lymfoompatiënten. In de zestig jaren geneesmiddelenonderzoek die volgde zijn naar schatting 10 miljoen chemische stoffen getest. Uiteindelijk hebben 70 de eindstreep gehaald en zijn anno 2010 als geneesmiddel geregistreerd en beschikbaar. Onvoldoende werkzaamheid, resistentieontwikkeling en bijwerkingen beperken echter de klinische toepassing van het huidige arsenaal van medicamenten.

Het is evident dat de zoektocht naar nieuwe, betere middelen hoge prioriteit heeft. Het ontwikkelingstraject van een nieuw antikankergeneesmiddel is echter complex, langdurig, kostbaar en gaat vaak gepaard met teleurstellingen, mede door ongunstige farmaceutische eigenschappen. Dit bleek ook voor het aan de Universiteit van Amsterdam gesynthetiseerde EO9. Nader farmaceutisch onderzoek opende echter de mogelijkheid om het middel via een blaasinstillatie bij het oppervlakkig blaascarcinoom succesvol toe te passen. De meeste middelen worden van oudsher intraveneus toegediend. Een recente ontwikkeling is de voorkeur voor orale toediening (in tablet of capsule vorm) van chemotherapeutica. Dit biedt grote voordelen voor de patiënt zoals minder ziekenhuisbezoeken en is kosteneffectief. De orale toepassing kent echter ook beperkingen doordat vele middelen slecht wateroplosbaar zijn en nauwelijks het maagdarmkanaal en lever kunnen passeren door de aanwezigheid van eiwitten die de middelen metaboliseren (cytochroom P450) of de opname ervan belemmeren (‘drug transporters’). Dit geldt ook voor de veel gebruikte taxanen, docetaxel en paclitaxel. De onderliggende mechanismen van de lage opname vanuit het maagdarmkanaal hebben we met behulp van muismodellen opgehelderd. Er is tevens een farmaceutische formulering ontwikkeld die leidt tot een verbetering van de wateroplosbaarheid van de taxanen. In de muis hebben we aangetoond dat de werking van cytochroom P450 en de ‘drug transporters’ tijdelijk kan worden geblokkeerd waardoor de taxanen wel goed worden opgenomen vanuit het maagdarmkanaal. Dit concept is vervolgens vertaald naar de kliniek. Dit voorbeeld van translationeel onderzoek heeft nu geleid tot een veilige en werkzame orale toediening van taxanen.

Datum lezing: 29 november 2010

icon_audio.gifGeluidsbestand van de lezing