KNAW bepleit anticyclisch investeren kabinet en breekt een lans voor demografisch onderzoek

11 juni 2013

Op 27 juni spreekt de Tweede Kamer over de brief van 30 mei waarin de minister van OCW aangeeft hoe zij invulling wil geven aan haar bezuinigingstaakstelling. Ten behoeve van dat overleg verwoordde de KNAW haar standpunt in een brief. De brief bevat een pleidooi voor investeren in kennis, naar voorbeeld van Duitsland, juist in tijden van crisis. Daarnaast betwist de KNAW de keuze voor opheffing van haar Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI).

De inhoud van de brief:

Kennis is cruciaal voor de toekomst van ons land

De KNAW stelt zich onverkort op het standpunt dat het kabinet juist nu, in deze barre tijden, de blik op de toekomst van ons land moet richten door te investeren in fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Eurocommissaris Rehn verwoordde het onlangs in zijn aanbevelingen aan het kabinet zo: “Afgezien van sectoraal innovatiebeleid is het van belang om horizontaal onderzoeks- en innovatiebeleid te voeren en de publieke financiering voor niet-geoormerkt fundamenteel onderzoek op een adequaat niveau te houden.” Vorige maand bracht IMF-topvrouw Lagarde dezelfde boodschap: Nederland moet substantieel extra investeren in onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en innovatie.  

De KNAW is van mening dat Nederland het voorbeeld van Duitsland zou moeten volgen. In de schaduw van de financiële crisis besloot de regering Merkel jaarlijks 4 miljard euro extra te investeren in kennis. Ons buurland zet daarmee koers naar een indrukwekkende aandeel van investeringen in onderzoek en innovatie, uitgedrukt als percentage van het bruto nationaal product (bnp): 4%. Ter vergelijking: de jongste ambitie van Nederland was een aandeel van 2,5% van het bnp, maar de facto dreigen we de komende jaren diep onder de 2% te zakken.

Uit de recente publicatie Totale Onderzoek Financiering 2011–2017 van het Rathenau Instituut blijkt dat de totale publieke onderzoeksfinanciering terugloopt van 5 miljard euro in 2011 tot 4,3 miljard euro in 2017, ofwel van 0,83% naar 0,68% van het bruto nationaal product. De private investeringen in onderzoek en ontwikkeling bedragen circa 1% van het bnp. Nota bene: deze cijfers dateren van vóór de jongste bezuinigingsoperatie.

Wij realiseren ons dat het kabinet met de toekenning van extra middelen aan  de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een belangrijk signaal heeft willen geven. De werkelijke omvang van de budgettoename voor NWO blijft echter ver achter bij de 100 miljoen euro die was aangekondigd, onder meer door bezuinigingen op deze organisatie. En zelfs als het bedrag in stand zou zijn gebleven, was dat volstrekt ontoereikend geweest om eerdere bezuinigingen (denk aan het Fonds Economische Structuurversterking) ongedaan te maken – laat staan om te kunnen spreken van extra investeringen. Het verruimen van fiscale mogelijkheden voor bedrijven die investeren in onderzoek en ontwikkeling levert helaas geen enkele garantie voor extra investeringen in kennis.

Behoud kennis van vergrijzing en migratie

In hun brief van 30 mei kondigen de bewindslieden van OCW aan de subsidie ad € 2 miljoen voor demografisch onderzoek c.q. voor het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut abrupt (per 2015) te beëindigen. Dat is een bijzonder onverstandige keuze. Het kabinet zet daarmee niet alleen een streep door de kennis van bevolkingsvraagstukken, maar ook door het onderwijs op dit terrein. Het NIDI, een instituut van de KNAW, is voor ons land dé bron van demografische kennis en het instituut geniet grote (inter)nationale faam. Het argument van de bewindslieden dat universiteiten en planbureaus de taak van het NIDI kunnen overnemen, is om meerdere redenen onjuist. Het NIDI is juist opgericht om kennis en kunde van verschillende universiteiten (en uit verschillende disciplines) over demografisch onderzoek te bundelen. Door opheffing zou kennis weer versnipperen en zou een grote hoeveelheid expertise en efficiëntie verloren gaan. Daar komt bij dat het NIDI als internationaal topinstituut in staat is gebleken voor onderzoek substantieel geld te genereren, onder meer uit Europese fondsen. Dat is voor individuele onderzoekers bij universiteiten vrijwel onmogelijk. Ten slotte moet hier worden opgemerkt dat de expertise bij planbureaus op dit terrein juist wordt geleverd door onderzoekers van het NIDI.

Kennis over vraagstukken als vergrijzing en migratie is relevanter dan ooit, voor Nederland en voor de Europese Unie. Niet voor niets is demografische ontwikkeling een van de thema’s van het EU‑programma Horizon 2020. Als het kabinet vasthoudt aan de opheffing van het NIDI, zal over enkele jaren geconstateerd moeten worden dat kennis van bevolkingsvraagstukken node wordt gemist en dat daarvoor een instituut moet worden opgericht. Dat klinkt niet als verstandig beleid.