KNAW kiest 15 nieuwe leden

23 mei 2013

De KNAW heeft vijftien nieuwe leden gekozen. Leden van de KNAW, vooraanstaande wetenschappers uit alle disciplines, worden gekozen op grond van voordrachten van 'peers' binnen en buiten de Akademie. De KNAW telt circa vijfhonderd leden, verdeeld over de Afdeling Letterkunde en de Afdeling Natuurkunde. Een lidmaatschap is voor het leven. Op maandag 30 september 2013 worden de nieuwe Akademieleden geïnstalleerd in het Trippenhuis van de KNAW.

De nieuwe KNAW-leden zijn:

Afdeling Letterkunde (geesteswetenschappen, rechtswetenschappen, gedrags- en maatschappijwetenschappen)

  • Bas van Bavel (1964), Universiteit Utrecht, heeft met een eigen innovatieve en interdisciplinaire benadering een nieuw perspectief gegeven aan de economische geschiedenis van de middeleeuwen. Zijn onderzoek bestrijkt een tijdspanne van de vroege middeleeuwen tot in de moderne tijd en is geografisch breed (van de Lage Landen tot en met Irak). Van Bavels analyse van de pre-industriële economie heeft onze kijk op de rol die markten speelden ingrijpend gewijzigd.
  • Eveline Crone (1975),  Universiteit van Leiden en Universiteit van Amsterdam, doet zeer innovatief onderzoek naar hersenprocessen van pubers, waarbij ze gebruik maakt van MRI-scans. Inzichten uit het onderzoek van haar Brain & Development Lab kunnen aanknopingspunten bieden om onderwijs en samenleving beter in te richten op de mogelijkheden van jongeren. Crone is auteur van Het puberende brein, en treedt regelmatig op in de media. Zij was lid van De Jonge Akademie van 2008-2013.
  • Eddy van Doorslaer (1958), Erasmus Universiteit Rotterdam, houdt zich bezig met gelijkheid in gezondheid en gezondheidszorg. Hij heeft met zijn werk een bepalende invloed gehad op de internationale onderzoeksagenda. De door hem ontwikkelde methoden zijn de standaard geworden voor het meten van ongelijkheid in gezondheid en in de toegang tot zorg. Zijn werk levert belangrijke inzichten voor de beleidsdiscussie over welk gedeelte van de zorg collectief gefinancierd moet worden.
  • Martin van Hees (1964), Universiteit van Amsterdam, richt zich in zijn onderzoek vooral op de analyse van morele en politieke waarden. Het gaat daarbij om de relatie tussen sociale rechtvaardigheid en individuele vrijheid, maar in zijn recente onderzoek bijvoorbeeld ook om de vraag wie verantwoordelijk kan worden gehouden voor de uitkomsten van collectieve besluitvormingssituaties (het zogenaamde many hands problem). Zijn onderzoek is zeer interdisciplinair van karakter.
  • Annemarie Mol (1958), Universiteit van Amsterdam, onderzoekt als antropoloog zowel alledaagse, klinische als wetenschappelijke praktijken die van doen hebben met lichamen, zoals genezen, zorgen, eten en drinken. In haar onderzoek combineert ze inzichten uit diverse disciplines, waaronder antropologie, filosofie, medische sociologie en wetenschapssociologie en weet ze bestaande denkkaders te doorbreken.
  • Christoph Lüthy (1964), Radboud Universiteit Nijmegen, doet onderzoek naar de wetenschappelijke revolutie tussen 1600 en 1800, en in het bijzonder naar de ontwikkeling van het begrip van materie in onder meer de natuurfilosofie van die tijd. Daarnaast houdt hij zich bezig met actuele vragen als de 'maakbare' mens, en het concept van wetenschappelijke verantwoordelijkheid. Lüthy was lid van De Jonge Akademie van 2005-2010.
  • Henriëtte de Swart (1961), Universiteit Utrecht, is internationaal bekend door haar belangrijke bijdragen aan de theoretische semantiek: de studie van betekenis van natuurlijke taal. Haar technisch vernieuwend werk heeft een basis in de Franse taalkunde, maar ze heeft een pioniersrol gespeeld in het ontstaan van taalvergelijkende semantiek en het benutten van semantische inzichten in de analyse van interactie en in de taaltypologie. Ze is auteur van het veelomvattende, inleidende boek Introduction to Natural Language Semantics.

Afdeling Natuurkunde (wiskundige en natuurkundige wetenschappen, levenswetenschappen en technische wetenschappen)

  • Alfons van Blaaderen (1963), Universiteit Utrecht, is een pionier in het onderzoek naar zelforganisatie van deeltjes. Onder invloed van bijvoorbeeld elektrische velden of stroming in een vloeistof kunnen kleine deeltjes zichzelf ordenen en spontaan nieuwe structuren vormen. Dit is een belangrijke stap voor de ontwikkeling van slimme materialen met nieuwe eigenschappen, maar ook voor nieuwe inzichten in fundamentele processen zoals kristallisatie.
  • Joke Bouwstra (1956), Universiteit Leiden, slaat met haar onderzoek een brug tussen scheikunde, farmaceutisch wetenschappen en geneeskunde. Met een breed scala aan technieken heeft zij op moleculair niveau de barrièrefunctie van de huid in kaart gebracht. De bovenste huidlaag beschermt het lichaam tegen vochtverlies van binnenuit en tegen indringers van buitenaf. Vetten spelen daarbij een belangrijke rol. Deze nieuwe kennis over de huidbarrière leidt tot nieuwe vaccinatiemethodes en een betere behandeling van huidziektes.
  • Han Brunner (1956), UMC St Radboud, speelt een leidende rol in de klinische genetica. Hij doet onderzoek naar de oorzaken van verstandelijke handicaps en aangeboren afwijkingen. Brunner gebruikt zijn ervaring in de spreekkamer om nieuwe wetenschappelijke vragen te stellen die in het laboratorium kunnen worden beantwoord. Zijn onderzoek helpt een nieuwe vorm van diagnostiek te ontwikkelen, waarbij een ziekte wordt behandeld in de context van de genetische achtergrond van een patiënt.
  • Ronald Cramer (1968), Centrum Wiskunde & Informatica en Universiteit Leiden, houdt zich bezig met cryptografie, met de wiskunde van de digitale veiligheid, die bijvoorbeeld belangrijk is voor internettransacties. Het Cramer-Shoup cryptosysteem waarover hij samen met zijn Amerikaanse collega Victor Shoup publiceerde was het eerste praktische systeem dat bestand is tegen actieve aanvallen. Het systeem werd een internationale standaard. Ook ontwierp Cramer een systeem voor veilige samenwerking tussen partijen die elkaar niet vertrouwen. De door hem gevonden nieuwe toepassingen van klassieke wiskunde in de cryptografie zijn baanbrekend. Cramer behoorde tot de eerste lichting van De Jonge Akademie.
  • Roland Kanaar (1961), Erasmus MC,  levert met zijn onderzoek een belangrijke bijdrage aan het begrip van de genetische stabiliteit in relatie tot kanker en aangeboren aandoeningen. Hij bekijkt het proces van schade en herstel van het DNA op alle niveaus. Cellen kunnen veel schade repareren, maar ze doen dat helaas ook met schade die door bijvoorbeeld bestraling ontstaat aan tumoren. Kanaar toonde onlangs aan dat door verwarming tot 42 graden C een van de reparatiesystemen in het DNA wordt uitgeschakeld. In combinatie met medicijnen kan dit voor bepaalde kankerpatiënten een nieuwe behandeling vormen.
  • René Medema (1964), Nederlands Kanker Instituut en UMC Utrecht,  leverde een grote bijdrage aan het inzicht in de regulatie van celdeling. Hij onderzoekt welke mechanismen voor de genetische stabiliteit in gezonde cellen zorgen, met name de werking van de ‘celcyclus checkpoints’, die helpen bij betrouwbare segregatie van chromosomen tijdens de celdeling. Fouten in dat proces zijn een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van kanker. Medema en zijn groep houden zich bezig met het vinden van mogelijke behandelmethodes voor kanker.
  • Corné Pieterse (1964), Universiteit Utrecht, doet pionierswerk op het gebied van systemische resistentie tegen pathogenen in planten. Jaarlijks gaat een groot deel van de voedselproductie verloren door ziekten en aantasting van gewassen. Pieterse onderzoekt de manier waarop het immuunsysteem van planten hen weet te beschermen tegen belagers als micro-organismen en insecten. Daarbij spelen plantenhormonen een rol, maar voor hun  overleving zijn planten ook afhankelijk van goedaardige microflora die hun immuunsysteem stimuleert.
  • Richard van de Sanden (1964), directeur van het instituut voor funderend energieonderzoek DIFFER en hoogleraar TU/e, zoekt in zijn carrière de verbinding tussen fundamenteel onderzoek en praktische toepassing. In zijn grensverleggend onderzoek richt hij zich op het ontrafelen van de fysisch-chemische processen in plasma’s, onder andere van belang in de innovatieve productie van zonnecellen. In het onderzoeksinstituut DIFFER geeft hij leiding aan het onderzoek naar kernfusie en de opslag en transport van duurzame energie in de vorm van chemische brandstoffen.

Daarnaast kiest de Akademie twee buitenlandse leden:

  • Kenneth Buesseler (1959), Woods Hole Oceanographic Institution, Verenigde Staten, doet onderzoek naar methoden om radioactiviteit in oceanen te signaleren. Aan de hand daarvan bekijkt hij hoe planktondeeltjes helpen CO2 op te nemen in de oceaan. Hij deed in de jaren tachtig metingen na de Tsjernobylramp en kon aan de hand van thoriumdeeltjes in de oceaan meten hoe snel deeltjes naar de zeebodem zinken. Eind vorig jaar was zijn onderzoek wereldnieuws toen bleek dat in de buurt van Japan gevangen vis anderhalf jaar na de ramp in Fukushima nog zwaar radioactief besmet was.
  • Laurens W. Molenkamp (1956), Universiteit van Würzburg, doet onderzoek naar halfgeleider spintronica en heeft op dat terrein gezorgd voor een indrukwekkende reeks doorbraken. Met zijn ontdekking van het kwantum spin Hall effect in dunne kwiktelluridelagen, heeft hij de basis gelegd voor het nieuwe vakgebied van topologische isolatoren. Hij behoort tot de absolute voorhoede van het onderzoek naar de fundamentele fysica van deze materialen en de exploratie van de spintronische toepassingen die daar mogelijk uit voortvloeien.