De rol van de taal in het empirisme van Aristoteles (384-322 v. Chr.)

Rijk, L.M. de

2004 | 128 pagina's | ISBN 90-6984-410-9 | Euro 19,00

Vanaf het ontstaan van de westerse wijsbegeerte en wetenschap heeft het concreet-individueel zijnde zich gedragen als tegelijk uitdrager én struikelblok van het denken. Voor Plato geldt dat zijn metafysische leer van de onvergankelijke, universele Vormen of Ideeën uiteindelijk is gericht op het rationeel verklaren van deze concrete en vergankelijke schijnwereld. In dit boek wil de auteur laten zien dat het standpunt dat Aristoteles innam in de wijsgerige controverse met zijn leermeester Plato, alleen kan worden begrepen wanneer men de eigen aard van zijn empirisme voor ogen houdt. Dit empirisme wordt gekenmerkt door de manier waarop Aristoteles alle mogelijkheden van de (Griekse) taal uitbuit, om te laten zien dat een goed begrip van onze empirische kennis een (Platonische) sprong naar een transcendente (boven de empirie uitgaande) wereld overbodig maakt. Nieuw in dit betoog van De Rijk is dat met name wordt aangetoond dat het uitbuiten door Aristoteles van de taal, aansluit bij modern taalgebruik.