Determinatie en vrije wil in de Nederlandse tragedie van de zeventiende eeuw

Konst, J.W.H.

2004 | 28 pagina's | ISBN 90-6984-427-3 | gratis

De vraag in hoeverre de individuele mens grip kan krijgen op het eigen leven is een vraag van alle tijden. Ook zeventiende-eeuwse toneelauteurs hebben zich over deze problematiek gebogen. In het werk van deze toneeldichters loopt de mens al snel tegen de grenzen van zijn mogelijkheden aan. Vooral omdat hogere, abstracte instanties als het Toeval of Fortuna, het Noodlot of het Fatum, en de Voorzienigheid Gods of de Providentia Dei te pas en te onpas hun invloed over hem doen gelden. Een van de centrale themata van de zeventiende-eeuwse dramatische letterkunde vormt de verhouding tussen individueel handelen aan de ene kant, en de onaantastbare macht van de drie instanties aan de andere kant. In dit boek wordt ingegaan op de wijze waarop toneeldichters het spanningsveld tussen enerzijds het doen en laten van hun protagonisten en anderzijds het Toeval, het Noodlot en de Voorzienigheid Gods thematiseren.