1851 - Instituut opgeheven, Akademie gesticht

Bezuinigen was het parool, rond 1850. Koning Willem I had Nederland in 1841 vrijwel bankroet laten gaan. De regering-Thorbecke hield na de grondwetsherziening van 1848 de hand zeer stevig op de knip. De begroting voor het Koninklijk Instituut werd in 1849 teruggebracht van 11.000 naar 5.000 gulden. Thorbecke, zelf lid van het instituut, maakte geen vrienden onder de geleerden en de gevestigde orde.

Toen het jaar daarop het instituut opnieuw zo weinig geld kreeg, begon het verzet op gang te komen. Het Tweede Kamerlid Groen van Prinsterer, eveneens lid, diende een amendement in om weer naar 11.000 te gaan. Maar dat verwierp de Tweede Kamer.

Thorbecke

Groen van Prinsteren

Opheffing en ruzie met Thorbecke

Het instituut begon een wat riskante zelfmoordactie en dreigde zich liever op te heffen dan langzaam te moeten wegkwijnen onder chronische tekorten. Nog riskanter bijna was dat het instituut de hulp inriep van de koning - inmiddels Willem III - die olie op het vuur gooide door uit eigen fondsen geld te fourneren. De haat tussen Willem III en Thorbecke was fameus. Thorbecke had bovendien een hekel aan Amsterdam en tussen de minister en het instituut kwam het niet meer goed.

Professionalisering

Thorbecke hief bij Koninklijk Besluit van 26 oktober 1851 het instituut op. In de plaats ervan kwam een Koninklijke Akademie van Wetenschappen. De Akademie moest zich gaan richten op de exacte vakken. Aan de adviezen van de Eerste Klasse (van de wis- en natuurkunde) had de regering altijd meer gehad dan aan de schone kunsten. Na de val van het eerste ministerie Thorbecke breidde de nieuwe regering het doel van de Akademie uit met de “bevordering der taal- letter- geschiedkundige en wijsgerige wetenschappen”. Sindsdien heeft de Akademie twee Afdelingen: een voor Letterkunde (geestes- en sociale wetenschappen) en een voor Natuurkunde (bèta- medische en technische wetenschappen). De kunstenaars en amateurs keerden niet meer terug.