Bestaan er universele wetten voor élke menselijke taal?

Wetenschappers ontdekken steeds grotere verschillen tussen menselijke talen. Dat zaait twijfel over de gedachte dat er wetten zijn die gelden voor élke taal. Toch komen alle talen voort uit dezelfde menselijke hersenstructuren. De botsing van deze inzichten roept nieuwe, fundamentele vragen op over menselijke taal.

Het onderzoek naar menselijke cognitie en taalvermogen vertoonde de afgelopen vijftig jaar twee, op het eerste gezicht tegenstrijdige, tendensen.

Bruno Mallart© Bruno Mallart

Aan de ene kant passen psychologien, biologen en hersenwetenschappers al sinds de negentiende eeuw met succes het concept toe van de psychic unity of mankind — het principe dat alle mensen, los van cultuur of ras, mentaal en cognitief op dezelfde manier functioneren, een reflectie van het feit dat zij allen over dezelfde neurobiologische mechanismen beschikken.

Anderzijds leggen taalkundigen steeds grotere verschillen bloot tussen talen in uiteenlopende streken van de wereld. Onderzoek aan bijvoorbeeld de Indianentalen van Noord-Amerika, talen van de Aboriginals in Australië en talen die gesproken worden in Nieuw Guinea vindt fundamentele verschillen, die het idee ondermijnen dat alle natuurlijke talen op zijn minst enkele kenmerken of structuren gemeen hebben. Zo blijkt in sommige talen de woordvolgorde willekeurig, kunnen niet alleen werkwoorden maar ook zelfstandige naamwoorden in tegenwoordige, toekomende of verleden tijd staan, of veranderen zelfstandige naamwoorden in werkwoorden wanneer ze als meewerkend voorwerp worden gebruikt. Het menselijk vermogen om te communiceren blijkt veel variabeler dan men lange tijd heeft gedacht.

Bevindingen uit beide tradities met elkaar in het reine brengen, is een van de meest fascinerende wetenschappelijke uitdagingen van dit moment. Die ene grote vraag inspireert taalwetenschappers tot een groot aantal deelvragen.

Babylonische spraakverwarring

Zijn er bijvoorbeeld grenzen aan de diversiteit van menselijke taal? Bestaan er universele taalwetten, die gelden voor elke gesproken taal, maar ook voor de gebarentalen van doven, met elk hun eigen gebarenschat en grammatica?

Waarom zijn talen zo verschillend, terwijl bijvoorbeeld het gezichtsvermogen in de hersenen voor alle mensen op dezelfde manier werkt?

Welke gevolgen hebben de grote verschillen tussen talen? Het Chinees heeft bijvoorbeeld veel korte woorden en het Turks veel lange. Maken Chinese kinderen zich hierdoor hun taal sneller eigen, of in een andere volgorde, dan kinderen in Turkije? En verwerken Chinezen daardoor informatie anders dan Turken?

Vragen zijn er ook over de evolutionaire ontstaansgeschiedenis van taalverschillen. Het bijbelboek Genesis beschrijft de ‘Babylonische spraakverwarring’ als een straf van god. Je zou inderdaad denken dat taal, sociaal bindmiddel bij uitstek, de neiging heeft zich te ontwikkelen in de richting van uniformiteit. Waarom bracht de evolutie dan toch zulke verschillende talen voort? En waarom blijven er zelfs in een tijd van globalisering en intensieve mediacommunicatie nog voortdurend nieuwe taalverschillen ontstaan?

Een groeiend aantal kenmerken van taal kan worden geanalyseerd met hulp van rekenmodellen en computers. Ook getalsmatig modelleren van taaldiversiteit is daardoor een grote uitdaging. Met steeds sterkere computers zal op dit terrein de komende jaren veel vooruitgang worden geboekt.

Onderzoek naar taal brengt vele disciplines bij elkaar. Een groot aantal wetenschapsgebieden, waaronder de taalwetenschappen, de biologie, de psychologie, de antropologie, de sociologie en de informatica, zullen de komende jaren helpen de reikwijdte én de grenzen van het menselijke taalvermogen te verkennen.