Wat betekenen hersenwetenschappen voor het recht?

Dankzij nieuwe technieken om in de hersenen te kijken weten we nu veel meer van het menselijk brein dan voorheen. We zijn bovendien in staat om neurofysiologische processen te manipuleren en daarmee menselijk gedrag te beïnvloeden. Al die kennis kan grote gevolgen hebben voor zowel de grondslagen als de praktijk van het recht. Zijn wij verantwoordelijk voor onze daden, of waren het onze oververhitte synapsen?

De hersenen- en cognitiewetenschappen ontraadselen in hoog tempo hoe mensen waarnemen, denken en voelen, en hoe hun geheugen werkt. Tot voor kort konden we die functies vrijwel alleen in psychologische en filosofische termen duiden, maar nu is een groeiend deel ervan te herleiden tot hersenstructuren of fysiologische processen.

Martijn Beekman© Martijn Beekman

Deze wetenschappelijke vooruitgang heeft grote consequenties op het snijvlak tussen recht en ethiek. Zo baseert ons recht zich veelal op een vrije wil. Maar hoe vrij is die wil als sommige gedragspatronen deels in onze hersenen zijn voorgeprogrammeerd of worden gestuurd en beïnvloed door chemische verbindingen?

Door middel van magnetic resonance imaging (MRI) valt aan te tonen dat de hersenen van een verdachte tijdens zijn misdaad waren aangetast of beschadigd, waardoor hij zichzelf niet in de hand had toen hij het delict pleegde. Het zal niet lang meer duren voordat de eerste MRI-scans opduiken in pleitnota’s van advocaten. Moet de rechter ze accepteren en mee laten wegen in de bewijsvoering of de bepaling van de strafmaat?

Verhoren

De hersenwetenschappen stellen ons ook in staat op nieuwe manieren met het brein te communiceren. Dat zou van pas kunnen komen bij de rechtshandhaving, bijvoorbeeld in het verhoren van vermoedelijke slachtoffers, getuigen of daders.

Door middel van elektromagnetische prikkels kunnen we bepaalde hersendelen stimuleren en zo het geheugen opfrissen. Wanneer een kind mogelijk slachtoffer is geweest van seksueel misbruik, zouden we het plaatjes kunnen tonen van misbruiksituaties en registreren hoe kinderhersenen op die prikkels reageren. Het zou mogelijk kunnen worden mensen te ‘verhoren’ die niet kunnen, durven of willen praten. Nieuwe varianten van de aloude leugendetector, die in de hersenen kijken, komen eveneens binnen bereik.

Maar is bewijs dat tot stand kwam dankzij dit soort ondervragingstechnieken wel rechtmatig verkregen? Kan de overheid verdachten dwingen inzage in hun hersenen te geven, net zoals zij verdachten nu kan dwingen een bloed- of een DNA-test te ondergaan?

Een gestrafte die steeds weer de fout in gaat, is theoretisch te corrigeren door in zijn hersenen in te grijpen, bijvoorbeeld door een elektrode te plaatsen of door medicatie. Een vroege variant van dat laatste is ‘chemische castratie’, waarbij psychiaters door toediening van preparaten de hormoonhuishouding van zedendelinquenten beïnvloeden. Nu al stellen officieren van justitie deze vorm van hersenbeïnvloeding regelmatig als voorwaarde voordat patiënten vanuit een tbs-kliniek naar buiten mogen.

Kennis over de hersenen zal steeds meer neurofysiologische technieken voortbrengen die kunnen helpen gestraften in het gareel te krijgen. Ze kunnen wellicht meer succes hebben dan jarenlange, moeizame behandelingen in een tbs-kliniek, en zijn zeer waarschijnlijk goedkoper. Maar vinden we deze behandeling van gedetineerden ethisch aanvaardbaar? Hoe verdragen ze zich met het grondwettelijke recht op de onaantastbaarheid van het lichaam? Geldt dit recht onverkort ook voor de hersenen? Wanneer mag het wijken voor andere belangen?

De vooruitgang in de hersenwetenschappen stelt de rechtswetenschap voor zeer fundamentele vragen. Die vragen wachten op grondig bestudeerde antwoorden, waarbij het zaak is de nieuwe - harde - kennis over onze hersenen op een zorgvuldige wijze in verband te brengen en af te wegen tegen de zachte maar wezenlijke garanties van onze rechtsstaat.