Hoe moeten we markten inrichten en bewaken?

Meer concurrentie leidt niet altijd tot optimale marktwerking. Soms pakt het zelfs slecht uit. Voor het vormgeven en bewaken van markten zijn sterke instituties nodig. Multidisciplinair experimenteel onderzoek kan antwoord geven op de vraag hoe deze instituties moeten worden ingericht om optimale welvaart te brengen.

Patrick Post© Patrick Post

Het economisch beleid van westerse overheden onderkent niet altijd dat markten gemaakt en bewaakt moeten worden en dat de vrije markt ook een slecht instrument kan zijn. Veel van het beleid gaat uit van drie hypothesen: liberalisering leidt tot meer concurrentie; concurrentie leidt tot kostenverlaging, hogere productiviteit, betere kwaliteit van producten en meer innovatie; en elk van deze elementen draagt bij aan welvaartverhoging. Samengevat: concurrentie is goed en meer concurrentie is beter.

De economische theorie en werkelijkheid zijn echter niet zo simpel. De hoofdstelling van de welvaartseconomie (gegeven bepaalde condities, wordt welvaart gemaximaliseerd als ieder individu zijn eigen belang nastreeft op een vrije markt) wordt door beleidsmakers soms ook toegepast op situaties waarin absoluut niet aan die voorwaarden is voldaan. De kredietcrisis heeft overtuigend laten zien wat er mis kan gaan.

De vraag is: welke instituties voor de inrichting en regulering van markten zijn onder de hedendaagse omstandigheden optimaal?

De afgelopen 65 jaar deden economen veel onderzoek naar gevolgen van het versoepelen van relatief ‘technische’, niet fundamentele, voorwaarden voor de vrije markt. Meer recent verschuift de aandacht echter naar meer fundamentele oorzaken van marktfalen: het ontbreken van de vereiste institutionele structuur (bijvoorbeeld door scheve machtsverhoudingen), fundamentele onzekerheid en onvoorspelbaarheid, en actoren die hun behoeften op begrensd rationele wijze bevredigen.

Berg

Uit onderzoek weten we bijvoorbeeld al dat in marktsituaties waarin kwaliteit niet te garanderen is, meer concurrentie in de praktijk slecht kan uitpakken. Ook weten we dat traditionele indicatoren van concurrentie-intensiteit misleidend kunnen zijn, reden waarom in Nederland een betere indicator werd ontwikkeld (de winstelasticiteit). De grafiek van de relatie tussen deze concurrentie-indicator en welvaart (of innovatie) toont niet een rechte lijn omhoog (‘meer concurrentie betekent altijd meer welvaart’) maar een kromme in de vorm van een berg: té hevige concurrentie leidt weer tot daling van welvaart en innovatie.

Empirisch onderzoek kan ons helpen te bepalen waar het omslagpunt, de top van de berg, precies ligt. De theorie van mechanism design vertelt hoe we markten of instituties moeten ordenen om in de buurt van de top uit te komen. De uitdaging is voldoende rekening te houden met beperkte rationaliteit van marktpartijen en ‘agency-problemen’ van bedrijven – zoals strijdige belangen van directies en aandeelhouders.

Vragen zijn bijvoorbeeld: hoe transparant moet de markt zijn om consumenten te kunnen laten kiezen? Hoe moeten markten en instituties eruit zien? Hoe kan het recht helpen om fundamentele onzekerheid te verminderen en gedrag te normeren maar ook creatieve experimenten mogelijk te maken?

De resultaten van zulk onderzoek worden experimenteel getoetst, in de hoop sterkere instituties te ontwerpen. Instituties kunnen bijvoorbeeld op kleine schaal worden nagebouwd en in een economisch laboratorium getest.

Kunnen marktprikkels negatief uitwerken op de intrinsieke motivatie van actoren? Leidt meer marktwerking tot meer zelfzucht of juist tot moreler gedrag? Multidisciplinaire samenwerking tussen economen, juristen en psychologen zal essentieel zijn om dergelijke vragen overtuigend te beantwoorden.