Kan het recht het milieu beschermen?

Het traditionele rechtssysteem schiet tekort om wereldwijde milieuproblemen aan te pakken. Om beter te kunnen omgaan met grensoverschrijdende milieuschade zal het vernieuwd moeten worden. Maar hoe? Welke nieuwe, samenhangende juridische instrumenten zijn nodig?

Greenpeace – Christian Åslund© Greenpeace – Christian Åslund

Nederland is een dichtbevolkt, verstedelijkt land, laag gelegen aan zee en doorsneden door twee grote rivieren. Net als andere deltagebieden op aarde is het land bovengemiddeld kwetsbaar voor de gevolgen van grensoverschrijdende milieuproblemen, zoals klimaatverandering en verlies aan biodiversiteit.

De gevolgen van deze problemen zullen de komende decennia een grote wissel trekken op onze economie. De problemen kunnen door hun aard alleen effectief worden aangepakt in internationaal verband. Dat dit tot nu toe onvoldoende lukt is voor een deel te wijten aan een inadequaat internationaal rechtssysteem.

Er bestaan wel internationale milieuverdragen, maar ze zijn erg versnipperd en soms te klein. Afzonderlijke verdragen regelen de bescherming van rivieren, zeeën, bodem en lucht. Het ene verdrag is door vijf staten geratificeerd, het andere door twintig, een derde door honderdvijftig. Onder sommige verdragen staan de handtekeningen van milieuministers, onder andere die van ministers van Buitenlandse Zaken. Sommige verdragen zijn zeer bij de tijd, andere zijn verouderd.

Veel verdragen werden opgesteld in reactie op incidenten, zoals de ramp met de kerncentrale bij het Russische Tsjernobyl of grote olierampen.

Is het juridisch regime al verbrokkeld, nog beperkter zijn de mogelijkheden om naleving van de verdragen af te dwingen. Er bestaat geen ‘wereldmilieupolitie’, er is geen internationale rechtbank voor milieudelicten en er bestaan nauwelijks sancties op nietnaleving.

Onderzoek en vernieuwing

De laatste jaren zijn er hoopgevende trends, zoals zelfregulering die door het internationale bedrijfsleven wordt opgezet. Samen met non-gouvernementele organisaties creë- ren bedrijfstakken wereldwijde keurmerken voor duurzame productie, zoals de Forest Stewardship Council voor tropisch hardhout en de Roundtable on Sustainable Palm Oil voor palmolie. Banken, pensioenfondsen en verzekeraars, bezorgd over de financiële consequenties van milieuschade en klimaatverandering, beleggen in duurzaam opererende ondernemingen.

Daarnaast komen economische instrumenten op. Boetes onder de verdragen voor bescherming van de ozonlaag slaagden erin de schadelijke heliogassen uit spuitbussen en ijskasten te bannen; CO2 -emissiehandel laat landen of bedrijven handelen in het recht CO2 uit te stoten; het clean development mechanism staat geïndustrialiseerde landen toe hun reductie in ontwikkelingslanden te bereiken als dat efficiënter is.

Niet duidelijk is echter wat de gecombineerde effecten van deze marktgedreven reguleringsmechanismen zullen zijn. Zijn ze afdoende? Stimuleren of hinderen ze overheidsregulering op internationaal of nationaal niveau? Welke mix van instrumenten is het meest effectief? Kan de wisselwerking tussen mechanismen en niveaus worden verbeterd, en zo ja, hoe?

De vragen zijn dringend, en wetenschappelijk onderzoek naar antwoorden erop is broodnodig. Zulk onderzoek zal interdisciplinair moeten zijn, want juridische en economische instrumenten vallen deels samen en hun effecten zijn ook psychologisch, sociologisch en ecologisch van aard.

Daarnaast zal het internationale recht zich moeten vernieuwen. Er is een grensoverschrijdend rechtssysteem nodig dat meer is dan de som der delen, dat ad hoc regelwetgeving reduceert en dat vele instrumenten zoals sancties, subsidies en naming and shaming gebruikt en onderling afstemt. Hoe zo’n systeem vorm te geven zonder onnodig aan nationale soevereiniteit te tornen, is voor de wereld en de wetenschap een fundamentele, uitdagende én dringende vraag.