Verkeert de representatieve democratie in een legitimiteitscrisis?

In veel landen lijkt de steun van burgers voor de representatieve democratie onder druk te staan. Internationaal vergelijkend onderzoek zoekt naar micro- en macrofactoren die de steun voor politieke stelsels beïnvloeden. Neemt de steun voor het Nederlandse democratische bestel af? Hoe is dat in vergelijking met ontwikkelingen elders?

Een legitiem politiek stelsel is, kort samengevat, een stelsel dat berust op de instemming van de burgers. In vrijwel elk westers land bestaat dezer dagen discussie over de kwaliteit van de representatieve democratie. De legitimiteit van de indirecte democratie lijkt daardoor op veel plaatsen onder druk te staan.

Bruno Mallart© Bruno Mallart

De legitimiteit van een politiek stelsel is een systeemkenmerk, maar wordt doorgaans gemeten op microniveau, via enquêtes die individuele burgers bevragen over hun instemming met (onderdelen van) het politieke stelsel. In Nederland beschikt het Nationaal Kiezersonderzoek bijvoorbeeld over veertig jaar aan onderzoeksgegevens. Die maken het mogelijk om de ontwikkeling van de legitimiteit van het Nederlandse politieke stelsel gedetailleerd in beeld te brengen.

Staat ook in ons land de indirecte democratie ter discussie? Meer specifiek: erodeert de legitimiteit van het Nederlandse democratisch bestel? Wijst de grote toeloop naar politieke partijen die zich afzetten tegen het politieke establishment op onvrede met ons traditionele partijpolitieke systeem of, veel breder, op onvrede met het functioneren van de democratie? Indien het laatste aan de hand is, wat zijn dan de oorzaken daarvan? Zou het mogelijk zijn deze ontwikkeling te stoppen? En verschillen de Nederlandse ontwikkelingen van die in het buitenland?

Systeemkenmerken

Als het gaat om oorzaken van afnemende legitimiteit, bestaan er twee onderzoekstradities.

De eerste probeert verschillen in steun voor politieke stelsels vooral te verklaren door variabelen en dynamiek op het microniveau van de individuele burger.

De tweede traditie zoekt de achtergronden van de variatie juist in systeemkenmerken van het politieke stelsel of in andere macrofactoren. Internationaal vergelijkend onderzoek, met projecten als de Comparative Study of Electoral Systems, de European/World Values Study, het European Social Survey (ESS) en de European Election Study (EES), heeft zulke analysemogelijkheden de afgelopen jaren een stuk verder gebracht.

Theoretische en empirische doorbraken zijn te verwachten nu internationale samenwerkingsprojecten ons voor het eerst in staat stellen de wisselwerking tussen micro- en macro-effecten te onderzoeken.

Zo weten we dat polarisatie tussen politieke partijen positief uitwerkt op de opkomst bij verkiezingen, maar we weten niet zeker waarom dat zo is. Vergroot polarisatie de interesse voor politiek, of de perceptie dat er iets te kiezen valt?

En waarom zijn kiezers die stemmen op oppositiepartijen over het algemeen minder tevreden met het functioneren van hun politieke stelsel dan kiezers die stemmen op een regeringspartij? Waarom is dit verschil veel groter in majoritarian democracies, zoals het Verenigd Koninkrijk, waar partijen elkaar afwisselen in majority rule, dan in consensus democracies, zoals Nederland, waar politieke partijen elkaar moeten vinden in wisselende coalities?

Bestudering van de interacties tussen micro- en macro-effecten zal deze verschillen mogelijk voor het eerst kunnen verklaren. Bovendien zal het tot een beter inzicht leiden in welke eventuele veranderingen in het politieke systeem een positief dan wel juist eerder een negatief effect op het functioneren van de democratie zouden hebben.