Welke instituties bepalen de vitaliteit van een samenleving?

Het ideaal van de open samenleving staat onder druk door onder meer globalisering en migratiestromen. Kunnen de verworvenheden van de rechtsstaat, de parlementaire democratie en de verzorgingsstaat in hun huidige vorm in stand blijven, wanneer veel belangrijke processen zich buiten de grenzen van die staat afspelen? Welke instituties bepalen eigenlijk de vitaliteit van een samenleving en hoe zijn deze ontstaan?

De kracht van een samenleving wordt in belangrijke mate bepaald door de kwaliteit van haar instituties. Een goed werkend stelsel van formele en informele regels, praktijken en organisaties – zonder dat kunnen markten, overheden en het maatschappelijk middenveld niet goed functioneren.

Zonder wetboeken, economische toezichthouders en een betrouwbare rechterlijke macht komen markten niet van de grond; zonder een stelsel van transparantie en publieke verantwoording en een traditie van actief burgerschap blijft de kwaliteit van publieke dienstverlening pover; en zonder praktijken van zelforganisatie, wederkerigheid en onderling vertrouwen is er geen vitale civil society.

Veranderende instituties: 'Poptempel' Paradiso in Amsterdam was ooit het kerkgebouw van de Vrije Gemeente - Foto: Joan van Nispen tot SevenaerVeranderende instituties: Poptempel Paradiso in Amsterdam was ooit het kerkgebouw van de Vrije Gemeente © Joan van Nispen tot Sevenaer

Wetenschapsbeoefening is al evenzeer gebaat bij een vrije uitwisseling van ideeën.
Alhoewel de gewenste samenleving, en de institutionele kwaliteit van de onderdelen van die samenleving, politiek omstreden kan zijn, bestaat er wetenschappelijk gezien aanzienlijke consensus over het optimale resultaat. Dat valt wellicht het best te omschrijven als wat de filosoof Popper een open society heeft genoemd: een democratische samenleving met veel burgerlijke vrijheden, een hoge mate van rechtsbescherming en transparantie, en met een sociaal-egalitaire inslag. De open society, kortom, berust op een aantal kenmerkende instituties.

De hedendaagse westerse burger mag dit misschien vanzelfsprekend in de oren klinken, vanuit historisch of vergelijkend perspectief is dat zeker niet het geval. De moderne westerse samenleving is het product van een langzame ontwikkeling van eeuwen. Hij is geworteld in de stedelijke communes van de Middeleeuwen en de representatieve organen die toen ontstonden. De voordelen daarvan zijn enorm geweest. Men hoeft slechts te denken aan verworvenheden als democratie en verzorgingsstaat, maar ook wetenschappelijke vooruitgang en technologische vernieuwing.

In de afgelopen decennia zijn kenmerken van de open samenleving echter onder druk komen te staan. Zaken als religieuze verdraagzaamheid en een laagdrempelig sociaal vangnet zijn niet langer vanzelfsprekend. Het ideaal van een open samenleving kraakt in haar voegen, haar identiteit is omstreden geraakt en haar instituties in opspraak. Functioneert de representatieve democratie nog wel naar behoren, is de rechterlijke macht opgewassen tegen de problemen van onze tijd? Dergelijke vragen worden steeds vaker gesteld.

Laboratorium

Een centrale wetenschappelijke vraag is hoe open westerse samenlevingen tot stand zijn gekomen, en welke onderliggende waarden en normen, die tezamen de ‘identiteit’ vormen, in deze ontwikkeling een rol hebben gespeeld. Wat leert het ons over de moderne vitaliteit en duurzaamheid van deze instituties?

Voor een grondige beantwoording van de vraag is niet alleen de expertise van historici cruciaal; ook andere geesteswetenschappers, zoals juristen, filosofen en godsdienstwetenschappers, zullen belangrijke bijdragen moeten en kunnen leveren. Dat geldt evenzeer voor de sociale wetenschappen, waarbinnen dit type vragen eveneens actueel is.

Hoewel de problematiek zelf internationaal van karakter is, kan Nederland worden beschouwd als een soort laboratorium van de open samenleving, waarvan de wortels ver teruggaan in de geschiedenis. Dat maakt ons land geschikt om als basis te dienen voor vergelijkingen in een mondiaal perspectief.