1. Wat wordt in de wetenschap verstaan onder het begrip kloon?

In de meeste leerboeken wordt kloneren omschreven als: elk proces dat leidt tot het produceren of vermeerderen van genetisch identieke organismen. Onder deze definitie valt ook de (ongeslachtelijke) vermeerdering van bacteriën in het laboratorium, uitgaande van een enkele bacteriecel, en de doelbewuste vermeerdering van planten via stekken, scheuren, enz. Uit het wetenschappelijke debat is de volgende definitie voor het begrip kloneren naar voren gekomen.

Deze definitie heeft uitsluitend betrekking op het kloneren van dieren of mensen en luidt:

Onder kloneren verstaat men de handelingen die leiden tot:
  • Het ontstaan van één of meer individuen, uitgaande van de celkern van een individu als bron van het genetisch materiaal, waarbij de verkregen individuen genetisch identiek of vrijwel identiek zijn aan het oorspronkelijke individu.
    De celkern kan daarbij ook afkomstig zijn uit de cellen van een zeer vroeg embryonaal ontwikkelingsstadium;
  • Het verkrijgen van twee of meer genetisch identieke individuen door middel van embryosplitsing, waarbij uitgegaan wordt van intacte cellen in plaats van celkernen.
In de praktijk wordt bij klonering met behulp van celkernen een geïsoleerde celkern, die afkomstig is van een lichaamscel (somatische cel) van een individu of van een cel uit een zeer vroeg embryonaal stadium, in een eicel gebracht waaruit de kern is verwijderd. Als de celkern afkomstig is van hetzelfde individu als de (ontvangende) eicel, zal het ontstane nieuwe individu identiek zijn aan de donor van kern en ontvangende eicel, en is er sprake van een echte kloon. Als de celkern en de eicel van verschillende individuen afkomstig zijn, kan men strikt genomen niet van kloneren spreken omdat een kleine fractie (0,1%) van de erfelijke informatie van het ontstane individu afkomstig is van de mitochondriën uit de ontvangende eicel. Toch wordt ook in dit geval gesproken van kloneren.

Als de donorkern afkomstig is van een vroeg-embryonale cel, zal de ontstane kloon niet identiek kunnen zijn aan een reeds bestaand individu. De kloon is evenmin identiek aan één van de ouders van het embryo, daar het embryo is ontstaan door versmelting van een eicel met een spermacel, en dus de kenmerken van beide ouders draagt. Als kerntransplantatie wordt uitgevoerd met een kern van een bevruchte eicel, kan men in feite niet van kloneren spreken omdat het ontstane individu slechts identiek is aan zichzelf.

Bij embryosplitsing worden zeer jonge embryo's, waarvan de cellen nog niet begonnen zijn zich te differentiëren, in twee helften gesplitst. Elk van de helften is vervolgens, na implantatie in een baarmoeder, in staat zich te ontwikkelen tot een normaal individu. Embryosplitsing leidt niet tot individuen die identiek zijn aan een reeds bestaand individu, maar ze zijn wel identiek aan elkaar. Als gebruik wordt gemaakt van een embryo, ontstaan uit een eicel en een spermacel van ingeteelde dieren (bijvoorbeeld muizen), die in principe genetisch onderling vrijwel gelijk zijn, krijgt men wel klonen die identiek zijn aan bestaande individuen.

Onder de definitie van kloneren valt niet onderzoek aan zgn. embryonale stamcellen (es-cellen). Dat zijn cellen afkomstig van zeer vroege embryo's die in het laboratorium gekweekt kunnen worden en desgewenst genetisch gemodificeerd. In paragraaf 3 van deze notitie wordt op het verkrijgen en het gebruik van es-cellen ingegaan.