4. Welke ethische grenzen denkt de wetenschap te trekken in deze en hoe denkt zij die te bewaken?

Bij de beantwoording van deze vraag, moet uitdrukkelijk onderscheid gemaakt worden tussen mens en dier.

Dieren

Een ethische discussie over het kloneren van dieren handelt over de vraag of en in welke mate schade wordt berokkend aan de belangen van het dier, alsmede over de vraag in hoeverre mogelijke schade aanvaardbaar is. De ethische discussie over het al dan niet schaden van de belangen van het dier in het geval van kloneren, kan gevoerd worden aan de hand van de principes die toegepast worden bij het gebruik van proefdieren in het wetenschappelijk onderzoek. Deze principes betreffen de gezondheid, het welzijn en de integriteit van het dier en meer specifiek, in het geval van het kloneren, de onnatuurlijkheid van het voortplantingsproces. Dit laatste principe, dat door ethici wel het onnatuurlijkheidsargument wordt genoemd, is nog te weinig uitgewerkt om op dit moment in de publieke discussie een rol te kunnen spelen.
Vanuit het principe van gezondheid en welzijn van het dier komen in het geval van het kloneren geen nieuwe gezichtspunten naar voren die de ethische discussie een andere wending geven dan bij het gebruik van (transgene) proefdieren. Tijdens het wetenschappelijk debat is duidelijk geworden dat kloneren uit een oogpunt van 'gezondheid en welzijn' voordelen kan opleveren door een vermindering van het aantal te gebruiken proefdieren en door een verhoogde veiligheid en efficiëntie in vergelijking met micro-injectie met DNA. Daartegenover kunnen als mogelijke nadelen gesteld worden de gevolgen van het gebruik van verouderde chromosomen, een geringere genetische variatie waardoor bijvoorbeeld de resistentie tegen ziekten kan verminderen, en een stijging van het aantal abortussen.
In een debat over de ethiek van het gebruik van dieren neemt het begrip 'integriteit' van het dier een prominente plaats in. Hoewel bij kloneren dit begrip zich meer richt op de soort als geheel dan op het individu, geeft dat geen aanleiding tot een andere invulling van dit begrip. De integriteit van een dierlijke kloon wordt slechts in geringe mate aangetast wanneer het kern-DNA en het mitochondriële dna verschillende voorouders hebben.

Hoewel het experiment waaruit het schaap Dolly is voortgekomen nog niet kon worden gereproduceerd, opent de voorlopige conclusie uit dat experiment dat cellen van volwassen dieren opnieuw geprogrammeerd kunnen worden, nieuwe perspectieven voor de ontwikkelingsbiologie en de biomedische wetenschappen. De fundamenteel-wetenschappelijke inzichten die daaruit voortkomen zullen zonder twijfel hun weg vinden naar de geneeskundige praktijk. Het wetenschappelijk onderzoek naar het kloneren van dieren en de verdere ontwikkeling van de daarbij te gebruiken technieken dient onderworpen te blijven aan de bestaande Nederlandse regelgeving op het terrein van dierproeven en biotechnologie bij dieren. Men dient zich er daarbij van bewust te zijn dat iedere verdere ontwikkeling van het kloneren bij dieren nieuwe vragen zal oproepen vanuit de samenleving, die aanleiding kunnen geven tot herziening van de regels binnen de thans aanwezige wetgeving. Er is echter geen reden principiële wijzigingen aan te brengen in de wettelijke kaders.

Mensen

Vanzelfsprekend konden tijdens het wetenschappelijk debat de ethische aspecten van het kloneren van de mens niet volledig en uitputtend worden behandeld. Volstaan moest worden met een voorlopige inventarisatie van argumenten die in zo een discussie in ieder geval aan de orde dienen te komen. Voor de discussie over het kloneren bij de mens is het van belang – zie ook paragraaf 3 – het zogenaamde 'reproductief' kloneren – gericht op het produceren van genetisch identieke individuen – te onderscheiden van het 'wetenschappelijk en therapeutisch' kloneren. De argumenten die in een discussie over 'reproductief kloneren' aan de orde moeten komen, zijn tijdens het wetenschappelijk debat onderscheiden in (1) argumenten die betrekking hebben op de gevolgen voor de kloon, voor het genetisch te kopiëren individu en voor de 'opvoeders', en in (2) argumenten die te maken hebben met de gevolgen voor de samenleving.

Tot de eerstgenoemde groep van argumenten behoren kwesties als het recht van het te kopiëren individu om genetisch uniek te blijven; de waardigheid van het menselijk individu; fysieke gezondheid, functioneren en reproductief vermogen van een kloon; de relatie tussen kloon en zijn/haar opvoeders; het recht op voortplanting. Bij een ethische discussie over de gevolgen van 'reproductief kloneren' voor de samenleving dienen argumenten aan bod te komen met betrekking tot het verworden van de voortplanting tot een technologie; het gevaar van eugenetica; de kwaliteit van het ouderschap; misbruik voor commerciële doeleinden.

In het wetenschappelijk debat is vervolgens vastgesteld dat de voor het 'reproductief kloneren' van een mens benodigde technieken nog verre van ontwikkeld zijn. De (draag)moeder en het zich ontwikkelende kind zouden worden blootgesteld aan niet in te schatten en derhalve onaanvaardbare risico's. Bovendien zal de efficiëntie van het proces bij de mens vanwege de bijzondere voortplantingsaspecten voor extra problemen zorgen. De verwachting dat het kloneren van een mens derhalve op afzienbare termijn met voldoende succes kan worden verwezenlijkt, is niet gewettigd. Niettemin is het van belang dat de wetenschap een niet voor tweeërlei uitleg vatbaar standpunt inneemt: op basis van de huidige kennis en inzichten dient het reproductief kloneren van de mens, gericht op het voortbrengen van genetisch identieke individuen, te worden afgewezen. Daarnaast dient echter het wetenschappelijk onderzoek met pré-implantatie embryo's en de therapeutische toepasssing van kerntransplantatietechnieken doorgang te kunnen vinden.

Deze uitspraak sluit nauw aan bij het standpunt dat de Nederlandse regering heeft ingenomen met betrekking tot het 'Additioneel Protocol inzake het verbod op het kloneren van mensen' van de Raad van Europa. Blijkens de brief d.d. 28 januari 1998 van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Tweede Kamer zal de ondertekening door Nederland van dat Protocol vergezeld gaan van een interpretatieve verklaring. Bedoelde verklaring zal inhouden dat toepassing van kloneringstechnieken op zeer vroege stadia van ontwikkeling van menselijke embryo's niet onder het verbod dient te vallen.

Het is van groot belang dat uit internationale verdragen voortvloeiende Nederlandse wetgeving, die beoogt het reproduceren van een humane kloon te verbieden, niet het onderzoek treft dat zich richt op verbetering van kloneringstechnieken, zoals celkerntransplantatie voor biomedische toepassingen. Van dit type kloneringsonderzoek, waarbij niet tot implantatie wordt overgegaan, mogen belangrijke nieuwe inzichten voor de eerste embryonale ontwikkeling van de mens worden verwacht.
Het kan onder meer leiden tot het verkrijgen van weefsels voor celtherapeutische- en transplantatiedoeleinden.
Dit betekent dat een verbod op het produceren van een humane kloon niet moet leiden tot onnodige belemmeringen voor het beschikbaar stellen van pré-implantatie embryo's tot veertien dagen oud voor wetenschappelijk onderzoek. Dergelijke embryo's mogen echter in geen geval worden getransplanteerd naar de baarmoeder.

Kloneren zal de komende jaren een onderwerp zijn dat op veel aandacht kan blijven rekenen. Samenleving en wetenschap dienen daarover een dialoog te blijven voeren, teneinde te voorkomen dat enerzijds snelle wetenschappelijke ontwikkelingen leiden tot toepassingen waarop de samenleving haar greep verliest en anderzijds zich in de samenleving ongefundeerde meningen ontwikkelen die een negatieve invloed kunnen uitoefenen op de (medische) wetenschap.