Vragen over academische vrijheid

Op woensdag 17 februari 2021 presenteerde de KNAW het rapport 'Academische vrijheid in Nederland' waarin zij het begrip academische vrijheid nader uitwerkt, en ingaat op spanningsvelden die kunnen ontstaan bij financiering van wetenschap, samenwerking met het bedrijfsleven en bij deelname aan het publieke debat. 

Tijdens de presentatie konden de deelnemers vragen stellen aan de inleiders. Een deel van deze vragen is ook voor geïnteresseerden die niet in de gelegenheid waren het webinar bij te wonen interessant. Hieronder treft u de antwoorden op de – deels geclusterde – vragen aan. 

Vraag 1

Academische vrijheid wordt beschreven als het beginsel dat medewerkers aan wetenschappelijke instellingen in vrijheid hun wetenschappelijk onderzoek kunnen doen, hun bevindingen naar buiten kunnen brengen en onderwijs kunnen geven. Waarom is ervoor gekozen om deze vrijheid te beperken tot medewerkers aan wetenschappelijke instellingen?

In het rapport is ervan uitgegaan dat academische vrijheid aan de functie van wetenschapper gerelateerd is. Het is ook vanuit hun functie dat wetenschappers te maken hebben met verschillende actoren die hun academische vrijheid moeten respecteren en mogelijk maken. Te denken valt dan aan het bestuur van hun instelling of met de overheid die het wetenschappelijk onderzoek en onderwijs grotendeels bekostigt in Nederland.

Deze omschrijving betekent dat je een functie moet hebben om je op de academische vrijheid te kunnen beroepen. Als je als wetenschapper niet verbonden bent aan een wetenschappelijke instelling, dan geniet je ook vrijheden (zoals vrijheid van meningsuiting), maar volgens deze omschrijving niet onmiddellijk de academische vrijheid. Deze afbakening betekent tegelijkertijd dat de focus van dit rapport ligt op onderzoek en (het geven van) onderwijs aan wetenschappelijke instellingen in Nederland. De analyse heeft geen betrekking op hogescholen. Studenten komen wel aan bod in deze begripsanalyse, maar de focus ligt niet op hun vrijheid.

Vraag 2

Hoe kan academische vrijheid worden beschermd binnen opdrachtonderzoek en andere samenwerking met bedrijven?

Burgers, bedrijven en het maatschappelijk middenveld (ook internationaal) worden steeds meer betrokken bij de wetenschap, wat haar maatschappelijke relevantie versterkt. Een vorm van dergelijke betrokkenheid is de financiering van onderzoek in de vorm van partnerships, cofinanciering of onderzoeksopdrachten. In deze relaties hebben private financiers en opdrachtgevers de verantwoordelijkheid om de academische vrijheid te respecteren. Het is bijvoorbeeld aan te bevelen om bij het aangaan van een samenwerking onderzoekers én opdrachtgevers een onafhankelijkheidsverklaring te laten ondertekenen.

Ook de overheid mag als opdrachtgever niet proberen de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek te beïnvloeden of de publicatie van haar onwelgevallige onderzoeksresultaten te voorkomen. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in 2020 laten weten dat er in de modelovereenkomsten voor beleidsgericht onderzoek verwezen zal worden naar The European Code of Conduct for Research Integrity. Onder andere zal worden opgenomen dat de opdrachtgever publicatie niet kan tegenhouden omdat de resultaten hem of haar politiek onwelgevallig zijn.

Niet alleen opdrachtgevers en wetenschappers dragen een verantwoordelijkheid voor academische vrijheid binnen opdrachtonderzoek. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit stelt dat ook instellingen zorg dragen voor eerlijke afspraken met opdrachtgevers en financiers over publicatie van resultaten.

Vraag 3

Wat is de academische vrijheid en bijkomende verantwoordelijkheid van wetenschappers in het publieke debat? Dragen de instellingen ook een verantwoordelijkheid?

In het publieke debat hebben wetenschappers zelf de verantwoordelijkheid om hun meningen als wetenschapper en als burger te scheiden en de aard van hun inbreng zorgvuldig te duiden. Dit betekent dat zij voorzichtig moeten zijn wanneer zij buiten het eigen vakgebied treden. Doen zij dat, dan moeten zij duidelijk maken dat zij op dat gebied niet als wetenschapper spreken. Wanneer zij wel als wetenschapper optreden, dan moeten zij zorgvuldig uitleggen welk deel binnen het onderzoek onzeker, hypothetisch of waarschijnlijk is, en tegelijkertijd toelichten dat de resultaten zorgvuldig verkregen zijn. Hoewel er ongetwijfeld een grijs gebied zal zijn, blijft zo het onderscheid duidelijk tussen wel en niet wetenschappelijk onderbouwde analyses, en kan een wetenschappelijke analyse minder gemakkelijk worden weggezet als ‘ook maar een mening’.

Vraag 4

Hoe bescherm je academische vrijheid als wetenschappers nevenfuncties hebben?

Nevenwerkzaamheden en dubbelfuncties zijn in principe een goede manier om de band tussen wetenschap en samenleving vorm te geven. Vanzelfsprekend moet ook hierbij de academische vrijheid en onafhankelijkheid beschermd worden. Dat betekent in ieder geval dat wetenschappers transparant zijn over hun nevenwerkzaamheden.

Vraag 5

Mag de verantwoordelijkheid voor maatschappelijke relevantie academische vrijheid begrenzen?

Zoals in het KNAW-rapport 'Academische vrijheid in Nederland'  wordt toegelicht is academische vrijheid, net als de meeste andere vrijheden en grondrechten , niet absoluut. Typerend voor academische vrijheid is dat zij begrensd wordt door de professionele normen en waarden die aan de functie van wetenschapper verbonden zijn en door de eisen die voortvloeien uit de taken die de wet oplegt aan instellingen voor hoger onderwijs.

Eén van de professionele normen die de academische vrijheid in de praktijk kan en mag begrenzen en richting kan geven is de verantwoordelijkheid voor mens, maatschappij en milieu. Tegen deze achtergrond is het zaak dat wetenschappers steeds een goed evenwicht zoeken tussen academische vrijheid en onafhankelijkheid enerzijds en (maatschappelijke) verantwoordelijkheid anderzijds.

Vraag 6

Staat academische vrijheid onder druk en in welke zin?

De KNAW zag twee jaar geleden in het briefadvies Vrijheid van Wetenschapsbeoefening in Nederland (2018) geen reden tot zorg over structurele zelfcensuur of gebrek aan diversiteit. Tegelijkertijd stelde de KNAW in het briefadvies dat de vrijheid van wetenschapsbeoefening voortdurende aandacht behoeft.

Het rapport Academische vrijheid in Nederland kwam vervolgens voort uit het belang dat de KNAW hecht aan academische vrijheid en de belangstelling voor dit onderwerp. Met het rapport Academische vrijheid in Nederland wil de KNAW de belangrijke discussie over academische vrijheid verder brengen en aanzwengelen.

Eén van de in het rapport besproken actuele spanningsvelden is de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid om de noodzakelijke randvoorwaarden voor academische vrijheid (in het bijzonder op het gebied van financiering) te realiseren.In haar adviesrapport Evenwicht in het wetenschapssysteem constateert de KNAW dat wetenschappers door schaarste in de eerste geldstroom sterk afhankelijk zijn van competitieve onderzoeksfinanciering van NWO en Europese programma’s. Dit leidt tot grote aanvraagdruk en fragmentatie in losse projecten. Sinds 2013 zijn bovendien de bestedingen van NWO en ZonMW verschoven in de richting van meer strategisch onderzoek ten koste van ongebonden onderzoek. In 2018 besteedden beide organisaties grosso modo twee keer zoveel aan strategisch onderzoek als aan ongebonden onderzoek.

Vraag 7

Vormt de onzekerheid van de werkomstandigheden van veel wetenschappers (tijdelijke contracten) in de praktijk een begrenzing van de academische vrijheid?

De Nederlandse overheid dient de noodzakelijke randvoorwaarden te scheppen om academische vrijheid te realiseren. Door beleid te ontwikkelen dat adequate carrièreperspectieven garandeert biedt de overheid wetenschappers de daadwerkelijke mogelijkheid om deze vrijheid in te vullen en hun werk uit te oefenen. Academische vrijheid is in ieder geval gebaat bij een stabiele en betrouwbare institutionele context, zonder ongewenste afhankelijkheden en met voldoende ruimte voor onderwijs en ongebonden onderzoek. Als aan deze voorwaarden niet wordt voldaan, is het lastig voor wetenschappers om de academische vrijheid daadwerkelijk te realiseren. Waar deze grens precies ligt is niet altijd evident.

Vraag 8

Wat is de relatie tussen academische vrijheid en democratie?

Wetenschappers moeten hun eigen nieuwsgierigheid, creativiteit en kritische geest kunnen volgen in onderzoek en onderwijs, om zo een veelomvattende kennisbasis op te bouwen en studenten breed te kunnen vormen zonder dat zij een garantie vooraf hoeven te geven dat er een wetenschappelijke of maatschappelijke doorbraak volgt. In een open samenleving is het bovendien nodig dat wetenschappers zonder angst voor repercussies hun werk kunnen doen, ook als een uitkomst van onderzoek maatschappelijk of politiek onwelgevallig blijkt te zijn. In een open kennissamenleving als de Nederlandse is vrije wetenschap daarom onmisbaar, en moet wetenschap breed toegankelijk zijn. Dit dient ook het democratisch proces.

Academische Vrijheid in Nederland

Bekijk het rapport van de KNAW 'Academische vrijheid in Nederland' (pdf).