Werken voor de wetenschap

Alexander van Oudenaarden (Hubrecht Instituut)

In de rubriek Werken voor de wetenschap stellen we aan de twee generaties medewerkers van een KNAW-instituut dezelfde vragen. Over hun passie, de KNAW en de taak van de wetenschap. Deze keer spraken we met promovendus Lennart Kester (lees interview) en directeur Alexander van Oudenaarden van het Hubrecht Instituut. Het Hubrecht Instituut doet baanbrekend onderzoek op het gebied van ontwikkelingsbiologie en stamcelonderzoek.

Prof. dr. Alexander van Oudenaarden

Directeur van het Hubrecht Instituut.

Wat is er mooi aan het werken bij het Hubrecht Instituut?
‘Het is een vrij klein instituut, zeker vergeleken met universiteiten, dus we hebben korte lijntjes tussen wetenschappers en met het ondersteunend personeel. De wetenschappers die hier werken, zijn ook  complementair. We kunnen dus samen problemen aanpakken die een multidisciplinaire aanpak vereisen, want we hebben alles onder één dak.’ 

Wanneer werd u gegrepen door de cel(-biologie)?
‘Van oorsprong ben ik natuurkundige. Ik was wel al heel vroeg bezig met biologie, als tiener had ik al een microscoop. Maar het was een behoorlijke overgang, van supergeleiding naar de biofysica. In de natuurkunde zijn de problemen heel goed gedefinieerd, terwijl in de biologie nog zoveel problemen onopgelost zijn. Voor een jonge onderzoeker die zijn eigen groep wilde starten, lagen de onderwerpen voor het oprapen. En qua apparatuur is het ook vrij simpel, zeker als je net uit de wereld van de nanotechnologie komt.’ 

Wat is het grootste misverstand over uw werk?
‘Natuurlijk is dat het idee dat onderzoek toepasbaar moet zijn, terwijl juist het fundamentele onderzoek aan de bron van de grote ontdekkingen staat. Een ander misverstand is dat wetenschap saai is, en dat bèta-wetenschappers nerds zijn. Wetenschapper zijn, is één van de mooiste banen ter wereld. Je hebt veel vrijheid, bent eigenlijk een soort kunstenaar. En je kunt ook nog bijdragen aan bijvoorbeeld het bestrijden van een ziekte. Het is ontzettend exciting!’

Hubrecht, de naamgever van het instituut, werd 135 jaar geleden lid van de KNAW. Waarover zouden de leden van toen zich nu het meest verbazen? 
‘135 jaar geleden wist men überhaupt niet dat DNA bestond. De leden zouden zich enorm verbazen over de technische vooruitgang. Nu kunnen we in een middagje het DNA van een persoon sequensen, tien jaar gelden was dat nauwelijks denkbaar. Hubrecht onderzocht de eigenschappen van egeltjes. Wij weten nu waar die eigenschappen vandaan komen.’ 

Holland Baroque speelde op 17 mei in uw instituut. Welke muziek inspireert u?
‘Ik ben niet zo van de barokmuziek, ik ben meer van de rock, jazz en blues. Zelf speel ik elektrische gitaar, dus muziek waar goede gitaarpartijen in zitten vind ik al snel mooi. Mijn idool is Mark Knopfler van de Dire Straits, maar Eddie Van Halen is ook een van mijn helden. Hij maakt bijna klassieke muziek op een heavy metal gitaar. Vroeger speelde ik wel in bands, maar daar heb ik met deze baan en drie kinderen geen tijd meer voor. Ik maak wel muziek met mijn kinderen en geef mijn oudste zoon gitaarles. Tijdens mijn werk heb ik nooit muziek aanstaan, want dan gaan mijn hersenen de verkeerde kant op.’

Bij welk ander KNAW instituut zou u (weer) eens een kijkje willen nemen?
‘Het NIOO. Dat heb ik nog nooit bezocht, terwijl ik al meer dan vijf jaar hier zit. Er is ook behoorlijk wat overlap tussen onze instituten. En het lijkt me leuk om te kijken hoe Louise Vet haar instituut georganiseerd heeft.’ 

De KNAW is o.a. de stem en het geweten van de wetenschap. Wat is uw hartenkreet en waarom?
‘Vergeet het fundamentele onderzoek niet! Dat is de bron voor het toegepaste onderzoek in kliniek en industrie. Als je geen fundamenteel onderzoek meer doet, droogt die bron op, en worden we afhankelijk van het buitenland. Andere Europese landen besteden er per hoofd van de bevolking veel meer geld aan. Je ziet nu al Nederlandse wetenschappers naar Duitsland vertrekken. Dat doen ze niet omdat ze daar een hoger salaris ontvangen, maar omdat ze daar meer mogelijkheden hebben om hun onderzoek te doen, hun passie te volgen. In Nederland zijn er, zeker als je carrière vordert, veel minder kansen.’

Lees ook het interview met promovendus Lennart Kester



Interview: Carel Jansen